Gynaecoloog Ghislaine: 'Linksom of rechtsom: bevallen doet pijn. Ook voor een gynaecoloog'
doorGhislaine Dekeunink-Verhaegh

doorGhislaine Dekeunink-Verhaegh
GHISLAINE DEKEUNINK-VERHAEGH (36) is gynaecoloog en moeder van zoon Lou (5 maanden).
Verloskunde leer je maar gedeeltelijk uit de boeken, het meeste leer je door het gewoon te doen. Tijdens mijn eigen zwangerschap en bevalling heb ik een andere kant van de verloskunde leren kennen. Want hoewel je in je hoofd als dokter wéét hoe dingen zijn, voel je ze toch niet hetzelfde als je patiënten. Dat is maar goed ook. Maar nu gebeurde het in en met mij: de spanning van die eerste echo, de zorgen over de NIPT-uitkomst en hoe ik pas écht naar de toekomst van ons gezin kon kijken na de 20 wekenecho. Ik was telkens bezig met de balans zoeken tussen mijn moederhart en mijn doktersbrein. Gelukkig is dat laatste rustig en realistisch. Want linksom of rechtsom: bevallen doet pijn. Je moet je overgeven aan iets waarvan je geen idee hebt, vertrouwen hebben in de mensen om je heen en uiteindelijk ook heel hard persen. Dat is voor een gynaecoloog niet anders.
Bij mij gebeurde dat op 11 maart. Het is zeven uur ’s ochtends als mijn man opstaat om naar zijn werk te gaan en ik voor het eerst denk: zijn mijn weeën begonnen? Elke tien minuten voel ik een soort kramp. Nee, dit is het nog niet, houd ik mezelf voor. Dit kan nog erger. Dus stuur ik mijn man gewoon weg. Inmiddels ben ik 41 weken plus een dag zwanger en vind dat alles gewoon vanzelf mag beginnen.
Voor mijn zwangerschap dacht ik dat ik bij 41 weken ingeleid wilde worden. Althans: dat zei mijn doktersbrein. Maar tegen het einde van de zwangerschap gaan die mogelijke paar dagen in het ziekenhuis me tegenstaan. Die middag zou ik nog een controle in het ziekenhuis hebben, maar door de pijn lijkt autorijden me onverstandig. Dus bel ik eerst mijn man en daarna de verloskundige. Het is begonnen. Toch blijft mijn doktersbrein de kop opsteken: dit kan het nog niet zijn, het moet vast en zeker erger worden. Bij zes centimeter ontsluiting rijden we rustig naar het ziekenhuis. Daar breken mijn vliezen en blijkt dat de kleine man in het vruchtwater heeft gepoept. Dit is de laatste keer dat mijn doktersbrein actief is, want plots komt de ene na de andere wee en weet ik niet meer wat voor of achter is. Grof geweld dendert door mijn lijf en dat merkt mijn zoontje ook. Ik krijg persdrang, moet weeën wegzuchten (hoe dan?!) en probeer of in bad zitten prettiger is. Maar niks voelt fijn dus hup, weer uit bad.
De hele zwangerschap heb ik geprobeerd mijn doktersbrein en moederhart in balans te houden. Uiteindelijk is het de nuchterheid van mijn overgrootmoeder die me er doorheen sleept. Zij zei tegen iedereen in de familie die moest bevallen: “Als je denkt dat je doodgaat, is het zover.” En dat is bij mij ook het geval, want net als ik denk dat het niet erger kan, is hij er. Het kleine jongetje waardoor ik niet alleen maar gynaecoloog ben, maar ook een moeder.•
Dit artikel is afkomstig uit LINDA.mini 2 lees hier het hele magazine.
'Niks zou mijn patiënte weerhouden van haar droombevalling, maar ik was bang voor teleurstelling'
Niets missen van LINDA.mini? Schrijf je in voor de LINDA.mini nieuwsbrief.