Sander de Hosson is longarts en zet zich tevens in voor ‘de best mogelijke palliatieve zorg’. Op LINDA.nl deelt hij zijn ontroerendste en heftigste verhalen.
Als ik opsta om de deur voor hem te openen, zegt hij ineens: “Dokter… u doet alsof u dit allemaal gewend bent.” Het nagelt me aan de grond.
We hadden net een lang gesprek gehad over de laatste chemotherapie die veel te weinig had gedaan. Daarna had ik mijn vrees uitgesproken dat hij niet lang meer zou leven. Het gesprek had hem zichtbaar vermoeid en geraakt. Ik had wat onhandige, troostende woorden proberen uit te spreken. Want wat zeg je op zo’n moment?
De man met de uitgezaaide longtumor is helder en bedankt me voor de laatste twee jaar, want er is veel gebeurd en behandeld. Maar bij het afscheid stelt hij ineens die volstrekt eerlijke vraag, die me uit balans brengt. Alsof hij me betrapt op iets.
Ik draai me om. Hij kijkt me zeker niet verwijtend aan. Eerder nieuwsgierig. Alsof hij zich oprecht afvraagt hoe dat moet. Hoe je went aan de dood. Ik wil snel iets zeggen over mijn ervaring. Over mijn werk, over de twintig jaar dat ik dit al doe. Maar het enige eerlijke antwoord is dat dit onderdeel van mijn werk helemaal niet went.
'Ik zag dat ze schrok van haar eigen opmerking dat het misschien wel genoeg was'
Ik ben gewend aan het ziekenhuis. Aan de monitoren. Aan de geur van die smerige handalcohol. Aan het zachte piepen van infuuspompen. Aan koffiezusters die je stiekem een ei of een kom soep toeschuiven in het weekend. Aan mijn antwoord dat je je werk nooit mee naar huis neemt.
Maar niet aan dit. Niet aan iemand die langzaam verdwijnt terwijl hij nog gewoon praat. Niet aan een vrouw die de hand van haar man vasthoudt alsof ze hem daarmee terug kan trekken. Niet aan de gedachte van kinderen of kleinkinderen die thuis zitten te wachten tot hun ouders of grootouders terugkomen na zo’n gesprek. Niet aan het moment waarop je weet: dit is de laatste keer dat iemand “tot ziens” zegt.
Ze noemen dat dan ‘professionele afstand’. Alsof afstand iets edels is. Alsof het hoort. Maar soms is het ook een leugen die we elkaar vertellen om het draaglijk te houden. Want zo werkt het niet.
Je kunt jezelf enorm goed trainen in handelen. In woorden. In protocollen. Je kunt leren hoe je slecht nieuws brengt. Hoe je palliatieve sedatie inzet. Hoe je een sterfbed begeleidt. Maar je leert nooit hoe je níet geraakt wordt. En misschien moet je dat ook niet willen.
'Echte geruststelling zit in durven blijven wanneer het niet goed is'
Ik denk weleens aan jonge artsen en verpleegkundigen die dit nog honderden keren zullen gaan meemaken. Dit is misschien wel het enige in dit vak wat je niet moet leren: hieraan wennen. “U doet altijd zo alsof u dit gewend bent.” Die zin blijft bij me. Niet omdat hij hard is. Maar omdat hij waar is.
Sterven mag nooit een soort routine worden. Sterven is een kruispunt in het leven van alle betrokkenen. Het is voor hen een life event van de allerhoogste orde en verdient de beste begeleiding.
Nadat ik even stil ben, loop ik terug en ga naast hem zitten. En zeg: “Ik doe misschien alsof. Maar ik ben het helemaal niet.” Het lucht hem op, zie ik. Nadat hij knikt, kijken we elkaar aan en geven we elkaar weer een hand. Dan zegt hij: “Tot ziens.” En hij moet daar ineens heel hard om lachen.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Aan het eind van het gesprek zei ze: 'Ik weet niet of ik bang ben voor de dood of voor de twijfel ervoor''















