Vorige keer kwam Robin aan in Tanzania en was de eerste liefde binnen de groep een feit.
‘Horny badgers saddle up! Let’s eat the road,’ gilt Hans als ons vijftien koppen tellend groepje de helms opzet en de voeten op de trappers vastklikt. We zijn nog niet begonnen aan onze negentigkilometertocht of we hebben al een smerige groepsnaam, een verbastering van de naam van de lodge waar we vannacht hebben geslapen. Die naam zet de toon voor de rest van de week. Wij hebben de leukste groep met de smerigste grappen en opmerkingen.
Cornel onze chauffeur rijdt in een groene, ronkende Toyota Landcruiser uit het jaar nul achter ons aan met onze rugzakken, lunchpakketten en water. Toen hij zich aan me voorstelde kon ik mijn ogen niet van zijn mond afhouden, zoals ik dat soms ook niet kan bij mensen met een pukkel op hun neus. Cornel heeft het liefste gezicht dat je je kunt voorstellen, maar zijn tanden rotten haast uit zijn mond. Hans weet te vertellen dat het komt door het water in Arusha, de plek waar hij vandaan komt. Dat bevat zoveel fluoride dat je tanden ervan gaan rotten.


















