Ik werd vannacht met een schok wakker omdat ik iets raars rook. Geen brandlucht of gas, maar poep. Ik dacht nog even: ben ik dit? Maar toen hoorde ik op het land het diepe gebrom van machines. De boeren waren aan het gieren. Lauwe poeplucht dreef door het raam naar binnen en het had iets weemoedigs.
Mijn geurherinnering transporteerde me naar het wc-tentje van vroeger. In mijn jeugd kampeerden we jaren achtereen in Engeland. Het was daar stil, groen en nat. In de disco lebberen met jongens was er niet bij, want er waren geen disco’s. Vervuilde en uitgewoonde toiletblokken kende ik evenmin. Britten zijn proper: ze namen allemaal hun eigen wc’tje mee. Die stonden als stoffen doodskisten op gepaste afstand van het hoofdverblijf. Maar afstand of niet, ongemerkt plaatsnemen in de doodskist was onmogelijk. Ten eerste was er die tante-Sidonia-lange rits in de deur. Die gierde als je naar binnen ging. Dan was er het doffe plonzen van neervallende drollen. En tot slot de vrijkomende geur van chemicaliën – dikke blauwe vloeistof uit jerrycans met een doodshoofd erop – die de drollen deden verdwijnen.
Precies dat aroma snoof ik op. Ik luisterde naar het gebrom van de machines en glimlachte. Mooie vakanties waren dat. Overdag gehuld in gele regenjekkers verdwalen in druipende bossen. Daarna scones met rode jam en clotted cream in piepkleine theehuisjes. En dan lekker naar de wc in de stoffen doodskist. Ik herinner me het gedempte oranje licht. Ik herinner me de diagonale stiknaden van de oranje en bruine vlakken. Ik herinner me de angst voor vallende spinnen. ’s Nachts durfde ik de doodskist niet in en plaste ik op het open veld onder de sterrenhemel. Ik deed iets wat niet hoorde maar wat wel heerlijk was.














