Het kindje van Nina en de jongens is gezond, het is erkend, en zelfs de nesteldrang is al voor een groot deel gestild. Het grote genieten zou moeten beginnen … maar …
Ik vind onze drie-eenheid de laatste tijd steeds moeilijker om mee om te gaan, en ik snap niet zo goed waarom. De laatste weken krijg ik het niet meer voor elkaar om het echt goed te vinden in mijn contact met de jongens. Ik kom er pas echt achter als ik onze app-conversatie terug lees van maanden geleden: wat waren we toen in evenwicht, en zonder problemen en wat spraken en zagen we elkaar vaak. Hoe wij met elkaar omgingen was zoals je een gedroomd drietal zou beschrijven. We hadden geen problemen, we hadden alle drie een connectie met elkaar en wisten precies wat we aan elkaar hadden. Hoe anders is dat nu toch ineens.
En het ligt aan mij. Dat weet en voel ik ook. Ik, en al mijn gierende hormonen, hebben afstand genomen. Ik kan niet meer lekker en open communiceren. En ik zoek als een malle waar dat aan ligt. Ik begin erin te geloven dat deze constructie niet zo goed is voor alleenstaande zwangere vrouwen. Ik voel me alleen en onzeker. Omdat zij makkelijk zijn in vrijwel alles, en zo lief en helemaal niets fout doen, vind ik mezelf een zeikwijf, en is mijn inzicht in wat zeuren is en wat belangrijk, compleet verdwenen. Zo begin ik niet over op welk adres ons kindje ingeschreven gaat worden straks, omdat ik dat als zeuren bestempel, maar praat ik wel uren over het feit dat de jongens wel de wc-bril naar beneden moeten doen als ze bij mij zijn, omdat ik dat van levensbelang vind om te bespreken. Ik ben het spoor kortom bijster.


















