Nina merkt dat het contact tussen haar en de jongens wat stroef verloopt de laatste weken, en ze weet dat dat aan haarzelf ligt. Maar hoe los je het op?
Ik houd Rick en René erg op afstand, en ik weet dat dat vervelend is, maar ik weet ook niet wat ik eraan kan of moet doen. Ik voel me simpelweg niet op mijn gemak als we met z’n drietjes zijn. Ik probeer elke keer duidelijk te maken hoe ik me voel en waar ik mee bezig ben, maar de gesprekken lijken allemaal op elkaar. Ik vertel dat ik me zo rot en alleen voel, zij zeggen me dat ze er voor me zijn en we overal over kunnen praten. En dan is het gesprek klaar, maar voel ik me niet opgelucht. De angel wordt er nooit uit getrokken. Maar ik weet ook helemaal niet waar die angel zit. René is inmiddels terug uit België, Rick en hij laten me elke dag weten me te willen zien, maar ik geef nul op rekest. Ik krijg op een middag een appje van hen:“We hopen heel erg dat je ons niet vergeet en dat we niet uit elkaar drijven, Nina, we houden echt van je.” Ik moet huilen, maar snap hun angst. Ik heb die angst namelijk ook. Maar waar zit die angel?
Deze situatie verergert en ik hoor mezelf tegen familie en vrienden steeds vreemdere dingen zeggen. Dat ik deze constructie niet leuk meer vind, dat ik spijt heb van sommige keuzes, dat ik niet meer in deze drie-eenheid wil zitten, dat ik het überhaupt niet leuk meer vind allemaal. Reden voor mijn omgeving om te zeggen dat het misschien handig is om met iemand te gaan praten, want dit klinkt natuurlijk niet goed. Sterker nog, dit klinkt heel slecht.


















